Eerste Kleine Luyden Lezing

30-10-2023
1722 keer bekeken

Dames en Heren, Het is een grote eer om op deze prachtige plek de allereerste Kleine Luyden-lezing te mogen houden. Hier in Maassluis is de man geboren die vanavond centraal staat: Abraham Kuyper.

Vader Jan Frederik Kuyper was hier predikant en het gezin verhuisde, zoals dat gaat, mee met zijn standplaatsen. Vanuit Geervliet ging het naar Maassluis en vanuit Maassluis weer naar Middelburg. En daarvandaan naar Leiden. Het is zoals het gaat in een domineesgezin, het continue verhuizen heeft ook mijn eigen jeugd gekleurd. 

Abraham Kuyper was, in de woorden van zijn biograaf Johan Snel, onstuitbaar als een lawine. Hij deed zoveel dingen tegelijk dat het je duizelt als je erover nadenkt. Kuyper was niet alleen predikant, activist en staatsman, maar ook journalist, wetenschapper en een begenadigd spreker.

En bij veel van die dingen was hij ook nog eens de eerste. Zo richtte hij de eerste Nederlandse politieke partij op, de ARP, en was hij de eerste premier van ons land. Zijn kabinet, dat in augustus 1901 aantrad, benoemde Kuyper tot vaste voorzitter van de ministerraad. Voor die tijd rouleerde de voorzittersrol jaarlijks tussen de ministers. Voortaan heette hij de ‘premier’, en was hij tegelijk minister van Binnenlandse Zaken. 

Maar Kuyper deed nog veel meer. Hij stichtte de Vrije Universiteit, begon het dagblad De Standaard en stond aan de wieg van de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Bovendien was hij de eerste bekende Nederlandse politicus, hier en over de grens. Kuyper werd op straat herkend, ook als hij op vakantie was. En hij was de eerste Nederlandse politicus die regelmatig de buitenlandse pers haalde, mede door zijn talloze reizen.

Kuyper was klein van stuk. Dat hij toch de bijnaam ‘Abraham de Geweldige’ kreeg, kwam door zijn pen en zijn stem. Daarmee maakte hij op velen een verpletterende indruk.

Kuyper ging de immense werkdruk te lijf met een extreme punctualiteit. Zo pakte hij elke ochtend om 9 uur zijn pen en legde die om 13.00u uur stipt weer neer. Desnoods midden in een zin. Hij schreef zonder te stoppen, in opperste concentratie, dikwijls met de pijp in de mond. De uren tussen 9 en 12 waren bedoeld voor de hoofdartikelen van De Standaard en het weekblad De Heraut, een voorloper van Trouw.

Het uur tussen 12 en 1 vond hij het leukst. Dan schreef hij zijn populaire ‘driestarren’, de puntige commentaren op de actualiteit, die op de voorpagina van De Standaard belandden. In vijftig jaar tijd produceerde hij zo’n 17.000 artikelen.

Met zo’n schrijfdrift zal het niemand verbazen dat het partijprogramma van de ARP niet alleen het oudste, maar ook het dikste uit de vaderlandse geschiedenis is. Het telde maar liefst 1.300 pagina’s. 

Het schrijven was het echte werk, de rest ontspanning, werd er wel eens gegrapt. Toen Kuyper in 1901 premier werd, liet hij de ministerraad speciaal naar de middag verschuiven, zodat zijn schrijfuren in de ochtend niet verloren gingen. De populaire ‘driestarren’ leken voortaan door iemand anders te worden geschreven, maar waren stiekem toch van zijn hand. Zo gaf hij onder een andere naam soms zijn eigen ministers een veeg uit de pan. Kuyper kon het schrijven niet laten.

De middag was bestemd voor zaken als bezoeken aan de Tweede Kamer, de universiteit (hij was hoogleraar op drie vakgebieden) of de ontvangst van gasten. Om half vijf volgde de dagelijkse wandeling die altijd twee uur moest duren en indien nodig laat op de avond werd afgemaakt. Tijdens zijn wandelingen liep Kuyper op nieuwe ideeën te kauwen. Dit patroon herhaalde hij ook als hij buitenlandse steden bezocht.

Abraham Kuyper deed dat alles met een reden. Hij was een man met een missie. Dat begon al op jonge leeftijd. In 1848 noteerde de bijna 11-jarige Abraham in zijn slaapkamer in Middelburg dat hij vanwege het kwaad dat hij had bedreven niet kon slapen. Daarop kreeg hij een belangrijk inzicht, dat hij opschreef: 

Ik citeer:

‘dat ik mij bekeerde en een vast besluit nam het kwade te vlieden en het goede te streven’

Einde citaat

Abraham Kuyper zou zich een leven lang aan dat inzicht houden. Het goede nastreven betekende voor hem dat de politiek de kant van gewone mensen moest kiezen. Geen enkel mens is volgens Kuyper onderworpen aan een ander. Mensen zijn alleen onderworpen aan God. Daarom noemde hij zichzelf als één van de eersten: ‘christendemocraat’. 

Kuyper wilde een stem geven aan ‘de kleine luyden’. Daarmee doelde hij niet alleen - zoals wel eens wordt gedacht - op arbeiders of de middenklasse. Maar op alle mensen met hun zorgen over het dagelijkse bestaan. Niet alleen de gereformeerden, maar ook katholieken, Joden en andere groepen. 

Het ging Kuyper om alle Nederlanders die geen stem hadden. Want alleen rijke mensen – rijke mannen om precies te zijn - mochten toen nog stemmen. 

Kuyper vond dat de overheid moest beschermen, zij moest een schild voor de zwakken zijn. De allerarmsten onder hen had Kuyper zelf leren kennen toen hij als wijkpredikant in Amsterdam werkte. Daar zag hij met eigen ogen de ellende op de Oostelijke Eilanden, en in het gebied waar later arbeiderswijk de Pijp verrees.

Ook als premier vergat Kuyper de gewone mensen niet. Zo reikte hij een koninklijke onderscheiding uit aan een vrouw, Kee Hupsch, die vijftig jaar lang als dienstbode in dienst was van dezelfde familie. Een lintje voor een gewone Nederlander, dat was niet eerder vertoond.

Sprekend over stemrecht. Over exact 23 dagen mogen we stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen. Natuurlijk gaat u dat allemaal doen. Maar Kuyper zou zich omdraaien in zijn graf, als hij zou weten hoeveel mensen geen gebruik maken van hun stemrecht. 

Het Nederland van Abraham Kuyper was natuurlijk een ander land dan dat van ons. Een land vol bittere armoede en enorme sociale verschillen, waar mensen jong stierven. Bestaanszekerheid was ook toen het belangrijkste thema. Wat toen ‘de sociale kwestie’ heette, kon ook Kuyper in de vier jaar dat hij premier was niet zomaar oplossen. 

Maar mede dankzij Kuyper kwam ‘de sociale kwestie’ wel centraal te staan in het beleid en zette ons land voorzichtig de eerste stappen naar de sociale verzorgingsstaat. Er kwam een Woningwet, een Ongevallenwet en Kinderwetten.

Als je er over nadenkt is die tijd niet eens zolang geleden. Dwars door de afgelopen eeuw heen kun je Kuyper bij wijze van spreken een hand geven. 

Mijn oma werd geboren in 1919, één jaar voordat Kuyper overleed. Zelf is ze is 100 geworden. De laatste paar jaar van haar leven wiste de dementie haar herinneringen uit. Ze kon zich maar moeilijk herinneren wat je haar zojuist verteld had. Maar als je haar naar vroeger vroeg, kwamen er verhalen boven. En in die verhalen was ook de armoede van toen voelbaar.

Mijn oma werd geboren in een gezin met veertien kinderen, in de Alblasserwaard. Ze was 13 toen ze uit huis ging - uit huis moest - om te gaan werken op de boerderij. Als mijn oma erover vertelde, zei ze er altijd bij dat ze haar moeder zo vreselijk miste. Maar ja, iedereen moest helpen om rond te komen - de 1,5 gulden die ze elke week met haar werk verdiende, moest ze afstaan. 

Ook in onze tijd is Kuypers pleidooi voor een overheid als schild voor de zwakken springlevend. Jawel, we leven in een welvarend land met onderwijs, zorg en onderdak voor iedereen. Een gelukkig land ook, dat volgens het Gallup Institutevijfde staat op de lijst met gelukkigste landen ter wereld. 

En toch is ‘bestaanszekerheid’ met recht een belangrijk verkiezingsthema. Zeker voor mensen die niet rond kunnen komen, die door de bodem zakken. Maar de zorgen over ‘bestaanszekerheid’ - de zorgen over de zekerheid van het bestaan - gelden voor veel meer mensen. Veel mensen in ons kleine, dichtbevolkte landje aan zee, met heel veel buitenland om zich heen, voelen zich in toenemende mate minder beschermd. Door alle geopolitieke spanningen - de oorlogen aan de rand van Europa en in het Midden-Oosten, door klimaatverandering, door immigratie. Ontwikkelingen die op ons afkomen, waarop we nauwelijks grip lijken te hebben - maar die we door de 24/7-nieuwsvoorziening via social media wel volcontinue kunnen volgen - zorgen voor steeds meer onzekerheden. 

Veel Nederlanders vragen zich af wat al die ontwikkelingen dan voor hén betekenen, hoe hún toekomst er dan uit komt te zien, en van hun kinderen. Wie zorgt er nog voor mij? Vinden mijn kinderen, of ikzelf, nog een betaalbare woning? Verdwijnt straks mijn baan door technologische ontwikkelingen, of omdat mijn bedrijf niet kan blijven bestaan? 

Deze onzekerheden over de toekomst zijn middelpuntvliedende krachten die een samenleving uit elkaar kunnen trekken, een samenleving onder spanning kunnen zetten, vijandschap kunnen creëren. Zeker in combinatie met de individualisering van onze samenleving. Veel mensen missen een groep om bij te horen, missen een groter verband om onderdeel van te zijn, met leidslieden die richting wijzen. Veel mensen hebben het gevoel er alleen voor te staan. 

Deze middelpuntvliedende krachten door alle onzekerheden over de toekomst - juist daar heeft de politiek een zegenrijke taak te vervullen. Door de zorgen en onzekerheden te vertalen naar nieuw perspectief, nieuwe wegen, nieuwe zekerheden. Ik wil niets afdoen aan het goede dat we in de politiek ook tot stand weten te brengen, maar te vaak zien we juist het tegenoverstelde gebeuren.

Te vaak zien we gebeuren dat het smeulende vuurtje van onzekerheden juist in de politiek wordt aangeblazen in plaats van geblust. Voor eigen politiek gewin, als politiek verdienmodel. Door het voeden van wantrouwen, van cynisme, van vijandschap.

Door het wantrouwen te voeden. In elkaar, maar ook in het functioneren van de overheid. In de Toeslagenaffaire, in Groningen, is het verschrikkelijk mis gegaan, zijn mensen door toedoen van de overheid op een geweldige manier in de problemen geraakt. 

En toch - het rechtvaardigt niet het kijken naar de overheid dat we nu te vaak zien en te normaal zijn gaan vinden; gebiologeerd door wat er nu weer allemaal niet deugt. Alsof ambtenaren ’s ochtends naar hun werk gaan om burgers in de kreukels te helpen. 

Het tegendeel is waar. We kennen in Nederland een gedreven, toegewijde ambtenarij die over het algemeen werk levert van hoge kwaliteit. Vanuit de wil om het goede te doen voor alle mensen die op hen rekenen. Maar ondanks de wil het goede te doen, pakken gemaakte keuzes onbedoeld soms niet goed uit. 

Het is belangrijk om in al ons bevragen van die overheid die intentie recht te doen. Omdat een sfeer van wantrouwen goede mensen wegjaagt en terughoudend maakt om verantwoordelijkheid te dragen in publieke dienst.

Ook het cynisme wordt gevoed. Door de intenties van anderen in twijfel te trekken. Door te doen voorkomen alsof jij het leed wel zou hebben voorkomen en de ander dat ook had kunnen doen als zij - om maar een voorbeeld te noemen - voor jouw moties hadden gestemd. Te makkelijke oplossingen voor te moeilijke problemen voeden het cynisme.

Het vuurtje van onzekerheden wordt ook aangeblazen door vijandschap te voeden. Door de politieke boodschap te verpakken in een verhaal waarin de ander de schurk is, de kiezer het slachtoffer en - uiteraard - zij de held zijn. Door fragmenten uit Kamerdebatten of stemmingen op social media te zetten om het eigen gelijk te tonen, en daarmee niet zelden de werkelijkheid geweld aan te doen. Door afbeeldingen te plaatsen in een verkiezingsprogramma waarop een collega-Kamerlid achter tralies zit. Door complottheorieën te verspreiden waarmee het valse narratief wordt uitgedragen van een kwaadaardige elite aan de macht die het gemunt heeft op de eigen bevolking. 

Wantrouwen, cynisme, vijandschap. Gelukkig zijn die begrippen niet synoniem aan onze politieke cultuur. Op de meeste dagen worden in de politiek mooie dingen tot stand gebracht. Gelukkig geldt voor politici wat voor de meeste mensen geldt: de meeste mensen deugen. En toch is het van belang om waakzaam te zijn. We maken de politieke cultuur met elkaar. Wantrouwen, cynisme, vijandschap, het is een allesverzengend gif dat meer kapot maakt dan ons lief is. Uiteindelijk kan het zelfs onze democratie uithollen.

Natuurlijk is politiek bij uitstek de plaats waar verschillen mogen botsen en de strijd tussen ideeën moet plaatsvinden. Ook Abraham Kuyper zocht voortdurend het conflict. Hij was eigenzinnig en had minstens zoveel vijanden als bewonderaars. Hij was radicaal, vaak niet uit op harmonie. Door hem werd de doleantie geleid in 1886 - de afscheidingsbeweging van gereformeerden uit de Hervormde Kerk - uitmondend in de vorming van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Zeker in verkiezingstijd mogen debatten polemisch zijn, mogen verschillen worden uitvergroot. Als we maar nooit uit het oog verliezen dat wij als politici uiteindelijk de opdracht hebben om verschillen te overbruggen. Natuurlijk hebben volksvertegenwoordigers de taak om de eigen achterban te bedienen, als ze dat maar doen vanuit het besef dat het uiteindelijk de taak is van volksvertegenwoordigers om het gehele Nederlandse volk te vertegenwoordigen, zoals artikel 50 van onze Grondwet luidt. Als we in debatten blijven steken in 20 keer de groetjes doen aan de eigen achterban, dan is het de vraag of we ons werk wel goed doen.

Uiteindelijk zullen we de belangen van die achterbannen moeten samenbrengen. In compromissen die we dus niet verdacht moeten maken, niet moeten wegzetten als ‘waterig’, maar moeten blijven zien als dé manier om een landsbestuur ondanks alle verschillen van inzicht daadkrachtig te laten functioneren. Uiteindelijk moeten verschillen worden beslecht, moeten kloven moeten worden overbrugd. Moet er richting worden gegeven. 

We zullen in de onzekerheden van mensen een opdracht moeten zien om te komen tot een nieuw perspectief, van hoop en optimisme. Een perspectief waar mensen wel vertrouwen en zekerheid aan kunnen ontlenen. Zekerheid van bestaan. Bestaanszekerheid.  

Hoe zou Abraham Kuyper naar onze tijd kijken? Van welke partij zou hij lid zijn? Zou hij in staat zijn om de verschillen van de huidige tijd te overbruggen? Zou hij een fanatiek twitteraar zijn? Ik denk het wel, hoewel hij zich nogal beperkt zou voelen door de 240 tekens. 

We zullen het nooit weten. We kunnen ons bij onze opdracht wel laten inspireren door Abraham Kuyper.

Het eerste wat we van hem kunnen leren is geloof in de kracht van verandering. Kuyper was een vernieuwer op een groot aantal terreinen. Een radicaal democraat, een sociaal vernieuwer, maar ook een origineel denker. Hij had vertrouwen in de toekomst en zag de potentie van technologie. 

Kuyper bezocht regelmatig wereldtentoonstellingen en was zelfs betrokken bij de organisatie van de wereldtentoonstelling in Amsterdam. Ook hielp hij de hogeschool in Delft stichten, de voorloper van de TU Delft. Daarnaast zette hij zich in voor het beroepsonderwijs, zodat arbeiders zich breder konden ontwikkelen. 

Dat geloof in de kracht van verandering geldt ook voor onze tijd. Veranderingen zorgen voor onzekerheid. Maar juist als we niets doen, komen de zekerheden in het geding waar we als land al decennia op varen. Noodzakelijke keuzes kunnen pijn doen. Maar het niet maken van keuzes is het verplaatsen van pijn naar de toekomst, naar toekomstige generaties.

We moeten als overheid de lusten en lasten van de transities waar ons land voor staat – zoals de klimaattransitie, de zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen landbouw en natuur en onze omgang met demografische groei - eerlijk verdelen. We moeten de regie pakken en bij al onze keuzes rekening houden met de generaties na ons. We moeten ons eigenlijk iedere dag de vraag stellen: welke keuzes zouden onze kinderen en kleinkinderen willen dat wij nu zouden maken? ‘Als een goed rentmeester’, zei Kuyper al. 

Ten tweede leert Kuyper ons dat niet het systeem of stelsels leidend moeten zijn, maar dat we steeds weer moeten redeneren vanuit de leefwereld van gewone mensen. Kuyper was, zoals gezegd, een radicale democraat. 

Volgens Kuypers biograaf Johan Snel is niet Thorbecke maar Kuyper de ware vader van onze democratie. Omdat Thorbeckes idealen van democratie, vrijheid en gelijke kansen in de praktijk niet golden voor arbeiders. Kuyper was de ‘klokkenist der Kleine Luyden’. Zoals de klokkenist de kerktoren luidde en het volk opriep voor belangrijke gebeurtenissen gaf hij de politiek de opdracht om de problemen van gewone mensen te agenderen.  

Bij dat denken vanuit de leefwereld van gewone mensen hoort ook het streven naar een redelijke overheid. Een overheid die aandacht heeft voor de menselijke maat. Een overheid die mensen niet beschouwt als klant of kostenpost, maar zich in hen verplaatst en naar hen luistert. Een overheid die niet alleen op de regels let, maar ook kijkt hoe haar handelen voor mensen uitpakt. 

Dus niet beleid maken vanuit een ivoren toren. Niet wetten maken zonder na te denken of ze wel uitvoerbaar zijn. Niet mensen het bos insturen, omdat de computer ‘nee’ zegt. 

De derde en laatste les van Kuyper gaat over het karakter van de overheid. De overheid moet dienen, beschermen en zorgen, die moet het goede doen. De overheid moet zorgen voor de basis: voor een goede en betaalbare woning, voor de zorg van zieken en ouderen, voor goed onderwijs en een veilige buurt. 

Tot het eind van zijn leven was voor Abraham Kuyper de sociale kwestie het belangrijkste onderwerp. Drie weken voor zijn tachtigste verjaardag hield hij in Utrecht een hartstochtelijk pleidooi voor de kleine luyden. Onderwijs, loonsverhogingen en verkorting van de arbeidsduur bleven essentieel om het leven van gewone Nederlanders te verbeteren. 

Maar ook voor Kuyper moet de overheid niet verstikken en zich overal mee bemoeien. De overheid is niet de oorzaak van alle problemen, maar ook niet het recept voor alle oplossingen. De overheid kan en moet niet alles willen, maar ook vertrouwen in de kracht van de samenleving. Dat besef zou dat het politieke debat vooruit helpen.

De Vrije Universiteit werd dan ook niet grootgemaakt met overheidsgeld, maar met de centen en kwartjes van gewone mensen. Die stopten hun geld in een groen spaarpotje met de beeltenis van Abraham Kuyper dat op menig schoorsteenmantel stond. De guldens kwamen van de meer bemiddelde leden van de Vereniging voor Wetenschappelijk Onderwijs op Gereformeerde Grondslag.

Ook wij kunnen niet alles overlaten aan de overheid. Wij hebben allemaal een opdracht. Om zorg te dragen voor elkaar en onze omgeving. Dat kan in de politiek, maar ook op vele andere manieren: in het gezin, de wijk, als vrijwilliger of mantelzorger, als collega of vriend.

Tot slot. 

Veel van Kuypers idealen zijn verwezenlijkt en er zijn weer nieuwe uitdagingen in de plaats gekomen. Daar kunnen we met pessimisme en moedeloosheid naar kijken. Als het beroemde rotsblok van Sisyphus dat vlak voor de top steeds opnieuw naar beneden rolt, zodat we weer van voor af aan moeten beginnen. 

Maar cynisme en somberheid brengen ons niet vooruit. Als we zien wat een predikantenzoon uit Maassluis allemaal teweeg kan brengen, wat kunnen wij samen dan wel niet bereiken? 

De meeste Nederlanders zijn niet afgehaakt. De meeste Nederlanders verlangen simpelweg naar politici die hun zorgen begrijpen, politici die uitgaan van vertrouwen in plaats van wantrouwen, politici die richting geven. De meeste Nederlanders verlangen naar een overheid die naast hen staat en hen beschermt. Een overheid die grip en perspectief biedt en een schild is voor de zwakken. 

Niemand van ons kan dit alleen. Maar als we het samen doen, samen de roeping van Kuyper voelen “het kwade te vlieden en het goede te streven”, dan kunnen we het verschil maken in het leven van al die mensen die ons nodig hebben en op ons rekenen.

Dank u wel.

1

Afbeeldingen

X (voorheen Twitter)

Cookie-instellingen